Het is stil op straat, het is nacht maar toch op een vreemde manier klaar buiten, zo zonder straatverlichting. Ik duw aan de achterkant van een auto en breng hem zo weg van waar hij geparkeerd staat naar de overkant van de straat. Daar plaats ik hem in de tegenovergestelde richting. Dit gebeurt allemaal met het grootste gemak. Ik vind het een geweldige grap en lach terwijl ik denk hoe verbaasd de eigenaar straks zal kijken wanneer hij ziet dat zijn auto niet staat waar hij het verwacht. Zou hij aan zichzelf twijfelen?
Dan begin ik te rennen, op mijn tenen, ongelooflijk snel met lange zwevende passen. Dit voelt geweldig! Ik ren de straat uit en kom in een soort park met middenin een futuristisch, organisch gevormd gebouw. Rond het gebouw draait zich een wentelweg naar de top. Vliegensvlug loop ik de weg omhoog, waarbij ik enkele wandelaars passeer. Ik hoor hun stemmen achter mij, maar ze worden niet stiller naarmate ik verder kom. Het lijkt wel of die mensen pal achter mij blijven, alsof ze even snel de achtervolging hebben ingezet.
“Dat kan toch niet,” denk ik “zo snel kunnen ze toch ook niet rennen?”
En inderdaad, als ik even omkijk zijn ze nergens te bespeuren.
Ik ben op de bovenkant van het hypermoderne gebouw aanbeland, op een uitgestrekt stenen plein.
Plots heb ik Herr Seele aan de telefoon. Iemand heeft hem mijn nummer gegeven omdat hij een nieuwe website wil laten maken. Ik voel me nog altijd euforisch en het komt niet tot een serieus gesprek. Ik maak rare stemmetjes en spreek overdreven dialect tegen hem. “Gie zit van Wostende, nji manneke?” Op een bepaald moment gaat het gesprek over ‘Den Duits’. Het is hilarisch en ik word lachend wakker.

